Standpunt en feedback De Hongerige Stad…

… m.b.t. het voorontwerp “Beheer en verkoop patrimonium OCMW Gent in beheer van sogent periode 2020-2025” (14 januari 2021)
Reactie op voorontwerp “V10 d.d. 07-12-2020”, ontvangen op 14 december 2020

Bekijk de nieuwsbrief
Download dit artikel  

Wat voorafging…

In oktober 2019 lanceerde De Hongerige Stad, een brede coalitie van burgers, boeren en middenveldorganisaties, een open brief over publieke landbouwgrond, gericht aan het Gentse stadsbestuur. Meer dan 70 organisaties en honderden burgers riepen daarin op om een ernstig maatschappelijk debat op te starten over de toekomst van publieke landbouwgronden en, in afwachting daarvan, een moratorium op de verkoop.1 In december 2020 verzamelde De Hongerige Stad aan het stadhuis voor een protestactie bij de stemming van de meerjarenbegroting. De actie kreeg uitgebreid aandacht in de pers. Het stadsbestuur besloot toen om door te gaan met de verkoop van publieke landbouwgrond, en ging dus niet in op de breed gesteunde vraag voor een moratorium. De Hongerige Stad sprak naar aanleiding van de open brief en de protestactie met de bevoegde schepenen. Er werd meermaals verwezen naar de opmaak van een visienota grondbeleid die in verschillende opzichten zou beantwoorden aan onze oproep en waarbij ruimte voorzien zou worden voor participatie. Pas een jaar later, in december 2020, is het voorontwerp van deze beleidsnota beschikbaar en krijgen een aantal organisaties de kans om er feedback op te formuleren. Deze nota bevat de feedback van De Hongerige Stad. Ze werd geschreven met gedetailleerde input van verschillende sympathisanten, en bediscussieerd en verfijnd op een digitale bijeenkomst van de Hongerige Stad op 12 januari 2021.

Algemeen

0.1 Wij zijn tevreden dat het stadsbestuur de beweging De Hongerige Stad erkent als volwaardige partner om, naast GECORO, voedselraad, woonraad en andere actoren, feedback te geven op dit voorontwerp.

0.2 Wij hebben begrip voor de boodschap dat de coronacrisis vertraging veroorzaakte bij de opmaak van dit voorontwerp. Wij betreuren desalniettemin de korte tijdspanne die voorzien werd voor feedback op dit voorontwerp. Net als andere organisaties hebben wij dit document pas in de loop van december 2020 ontvangen – een jaar na onze open brief en de protestactie aan het stadshuis. Bovendien wordt ons gevraagd om feedback te geven tegen – na onze vraag tot uitstel – uiterlijk 14 januari 2021. Dit was niet alleen bijzonder kort (de coronacrisis heeft ook een impact op onze werking), maar ook een zeer ongelukkige timing (middenin de eindejaarsperiode).

0.3 Het is vrij onduidelijk op welke manier het stadsbestuur met onze feedback (en die van anderen) aan de slag zal gaan. Aan de voedselraad werd beloofd dat alle elementen die ze aandraagt grondig bekeken en beantwoord zullen worden, en dat van al die elementen zal worden aangegeven of en op welke manier er al dan niet rekening mee gehouden werd. Hoewel De Hongerige Stad een aantal fundamentele bedenkingen heeft bij de manier waarop dit feedbackmoment wordt georganiseerd (zie punt 6), hopen wij dat ook onze feedback grondig bekeken, overwogen, vertaald en beantwoord wordt.

0.4 Wat aangekondigd werd als een visienota op het grondbeleid van de stad Gent blijkt in de praktijk vooral een technische afsprakennota met richtlijnen om het werk van stadsontwikkelingsbedrijf sogent aan te sturen tussen 2020 en 2025. Onze feedback is in de eerste plaats een reactie op het aangeleverde voorontwerp, maar formuleert daarnaast ook heel wat aanbevelingen voor een broodnodig, groter politiek project.

0.5 Hoewel wij bedenkingen hebben bij de aanpak van dit feedbackmoment, kozen we uitdrukkelijk voor een constructieve toon in onze reactie. Deze nota bevat heel wat kritische bedenkingen, maar erkent ook een aantal positieve aanknopingspunten, waaronder het tijdelijk moratorium op de verkoop van landbouwgrond. Bovendien beseffen wij zeer goed dat dit een complex thema is met vele dimensies. De nota bevat, mede daarom, ook heel concrete aanbevelingen. Wij blijven als beweging de hand uitsteken voor een grondig, constructief gesprek over een alternatieve omgang met publiek grondbezit, waarin niet alleen over de marktwaarde, maar ook over de gebruikswaarde van publieke gronden gesproken mag worden.

Zeer dominante focus op verkoop en marktwaarde

1.1 Hoewel de titel aankondigt dat deze beleidsnota zowel over het beheer als de verkoop van OCMW-patrimonium gaat, is er in de praktijk een zeer dominante focus op verkoop. Het is veelzeggend dat “verkoop patrimonium OCMW – juridisch” de titel van het allereerste hoofdstuk is. Het overgrote deel van de nota werd geschreven vanuit de voorafname dat verkoop de beste optie is, met een dominante focus op de verkoopwaarde (marktwaarde) van publieke gronden. Nochtans beargumenteert de nota nauwelijks waarom verkoop wenselijk is.
Andere vormen van waarde (ecologische waarde, landbouwkundige waarde, de gebruikswaarde om specifieke beleidsdoelstellingen te financieren…) raken quasi-volledig ondergesneeuwd. Hoofdstuk drie is getiteld “Samenstelling en waarde passief privaat patrimonium OCMW Gent” (p. 8), maar gaat in de praktijk uitsluitend over de financiële waarde bij verkoop. “De totale waarde van het patrimonium op Gents grondgebied (ongeveer 120 ha) wordt geschat op ongeveer 9.000.000,00 euro” klinkt het iets verder (p. 9), waarbij ‘waarde’ opnieuw helemaal vanuit marktwaarde wordt ingevuld. En bij het blokje over gronden buiten Gent op diezelfde pagina wordt alleen over verkoopwaarde en de boekhoudkundige waarde gesproken.
In de nota wordt niet gesproken over aankoopbeleid, waarschijnlijk omdat dit buiten de scope van een beheerovereenkomst met sogent over het beheer en de verkoop van OCMW-patrimonium valt. Wij vinden het absoluut noodzakelijk om die scope te verbreden, en dus ook het aankoopbeleid van de stad te vermelden en te verduidelijken. Wat is de relatie tussen verkoopbeleid en aankoopbeleid? Overweegt de stad ook om strategische gronden aan te kopen, en zo ja, met welke doelstellingen? In deze beleidsnota nodigt de stad andere lokale besturen of publieke instellingen uit om publieke gronden over te kopen, maar zelf formuleert ze geen enkele ambitie in die richting. Waarom worden er in de nota geen mogelijkheden besproken om zelf een eigen aankoopbeleid te voeren? Voor een stad als Gent met een groot inwonersaantal zou het strategisch interessant kunnen zijn, naast het behoud van publieke grond, ook gronden aan te kopen en op die manier gerichter een landbouw- en voedselbeleid te voeren dat strookt met toekomstige klimatologische, economische en sociale beleidsdoelstelling.

Aanbeveling 1 Verduidelijk in deze beleidsnota het grotere beleidskader waar deze beleidsnota in past. Wat is de vraagstelling? Maak een afbakening van het onderwerp van deze nota. Wat zijn de verschillende (soms conflicterende) belangen die in de weegschaal liggen? Verduidelijk de link met alle andere beleidsdomeinen met duidelijke raakvlakken.
Aanbeveling 2 Streef in de opbouw, de taal en de uitwerking van de beleidsnota een evenwicht na tussen beheer en verkoop, tussen marktwaarde en gebruikswaarde.
Aanbeveling 3 Verwijs in deze nota ook naar het aankoopbeleid van de stad – ook indien dat onder andere beleidsdomeinen valt. Overweegt de stad ook om strategische gronden aan te kopen, en zo ja, met welke doelstellingen?

1.2 Bovendien geeft de nota de indruk dat verkoop op de vrije markt iedereen gelijke kansen biedt om de landbouwgronden van het OCMW aan te kopen. Illustratief is volgende passage:
“Voor onroerende transacties moet de markt geraadpleegd worden. Elke mogelijk geïnteresseerde moet de kans krijgen om mee te dingen. De procedure verloopt met voldoende openbaarheid en transparantie. Het bestuur moet voldoende en gepaste publiciteit voeren om de mogelijk geïnteresseerden te bereiken. Dat is de beste garantie om een goede prijs te verkrijgen en is de werkwijze die het best het algemeen belang dient.” (p. 4)
Dit is, zeker gezien de stad aankondigt daarbij naar winstmaximalisatie te streven, pertinent onjuist. Zo zijn de kansen van jonge nieuwkomers in de landbouw absoluut niet dezelfde als die van gevestigde, uitbreidende boeren, en zijn de kansen van boeren in het algemeen veel kleiner dan die van kapitaalkrachtige, niet-agrarische speculanten. Het is ons daarom zeer onduidelijk vanwaar de claim dat verkoop volgens een vrije markt logica per definitie “het best het algemeen belang dient” vandaan komt.

Aanbeveling 4 Besteed meer aandacht aan de realiteit van de huidige grondmarkt. Verkoop op de vrije markt met winstmaximalisatie dient het belang van de meest kapitaalkrachtige spelers, niet (automatisch) het algemeen belang.

1.3 Ook de manier waarop verkocht zal worden, wordt zeer eng ingevuld. Eén principe staat als een paal boven water: winstmaximalisatie. Verkoop met winstmaximalisatie wordt niet alleen als rechtvaardig gezien (zie punt 1.1), maar wordt ook als argument uitgespeeld. Het zou de hoeveelheid grond die verkocht moet worden (om een bepaalde hoeveelheid inkomsten te generen) zo klein mogelijk houden. Dat laatste argument is een zeer cynisch argument. Het lijkt te willen camoufleren dat deze beleidsnota nauwelijks de intentie uitstraalt om iets te doen met de overblijvende gronden. Bovendien bevat de nota geen enkele garantie dat de gronden die deze legislatuur ‘gespaard’ blijven niet gewoon door de volgende verkocht zullen worden.
De beleidsnota bevat een aantal uitzonderingen op het principe van winstmaximalisatie. Het bestuur kan, mits motivatie, afwijken van het principe dat gronden nooit onder de schattingsprijs verkocht worden (p. 3). Bijvoorbeeld om “redenen van algemeen belang” kan worden aanvaard dat “de transactie zonder concurrentie verloopt” (p. 4). Bij verkoop aan andere openbare besturen vraagt de stad niet de schattingsprijs maar de onteigeningsvergoeding (inclusief wederbeleggingsvergoeding en wachtinterest) (p. 4). En binnen de publieke instellingen van de kerngroep Gent geldt een zogenaamd wederkerigheidsprincipe: “Indien OCMW-patrimonium kan helpen om een doelstelling van de Stad Gent te realiseren, dan is het wederkerigheidsprincipe van toepassing. In dit geval wordt afgestapt van de financiële maximalisatie en geldt een marktconforme wederkerigheid op basis van een schattingsverslag dat de verkoopwaarde bepaalt.” (p. 4-5). Tenslotte wordt er in de nota expliciet aangegeven dat er bij de verkoop van natuur- en bosgebied kan afgeweken worden van het principe van winstmaximalisatie” (p. 13).
Die uitzonderingen op het algemeen principe zijn interessant, maar dreigen dode letter te blijven. Het is onduidelijk waarom deze principes niet verder uitgewerkt werden en of dat op korte termijn nog zal gebeuren. De principes staan er wel, maar er hangt geen enkele visie aan vast. Net zoals bij andere passages wordt een zeer passieve, weinig geëngageerde houding aangenomen ten aanzien van andere beleidsdomeinen of andere publieke instellingen. De nota laat uitschijnen dat men geen proactief Gents grondbeleid moet verwachten (zie ook punt 5). Het is tenslotte onduidelijk waarom er voor natuur- en bosgebied expliciet wordt aangeven dat er kan afgeweken worden van het principe van winstmaximalisatie, en dat dit voor andere bestemmingen, zoals landbouw en wonen, niet het geval is of niet expliciet wordt aangegeven.

Aanbeveling 5 Er is nood aan een betere argumentatie van het algemene principe van winstmaximalisatie. Wij bevelen aan om het gewicht van dit principe sterk af te bouwen.
Aanbeveling 6 Welke criteria bepalen of de stad Gent al dan niet overweegt om bepaalde gronden te verkopen? In de nota wordt alleen over de criteria ‘pachtvrij’ en ‘buiten de regio Gent’ gesproken. Geef een overzicht van alle andere relevante criteria.
Aanbeveling 7 Benoem in deze nota expliciet de mogelijkheid om bij de verkoop van landbouwgrond of hoeves met landbouwgrond af te wijken van het principe van winstmaximalisatie, net zoals dat reeds het geval is voor natuur- en bosgebied.
Aanbeveling 8 Werk een echte visie uit voor elke uitzondering op het algemeen principe van winstmaximalisatie. Wanneer en op welke manier zal de stad actief gebruik maken van deze uitzonderingsprincipes?
Aanbeveling 9 Geef in de nota ook een overzicht van onderhandse verkopen tussen 2009 en 2019 (bijvoorbeeld een percentage, een totaalbedrag, categorisering van de kopers).

Geen landbouwvisie

2.1 Deze nota bevat geen visie op landbouw, en voegt nauwelijks nieuwe informatie toe m.b.t. de (vage) landbouwbeleidsdoelstellingen die in het bestuursakkoord en het nieuwe klimaatplan zijn opgenomen. In gesprekken met het stadsbestuur, in navolging van de open brief en de protestactie aan het stadhuis, werd dit nochtans aangekondigd en beloofd. Het kabinet Heyse liet ons onder andere horen dat deze nota 1) verschillende criteria zou bepalen om te beslissen welke grond al dan niet verkocht zal worden, en 2) verkoopcriteria zou bevatten die er voor zouden zorgen dat bij verkoop de stad zou kunnen aansturen op verkoop aan partijen die een specifiek maatschappelijk belang dienen. Geen van beide komt echt aan bod.
In de nota wordt er wel verwezen naar twee beleidsdoelstellingen waarvoor landbouwgrond nodig is: de realisatie van het RUP Groen (meer bepaald voor het flankerend landbouwbeleid) en het inzetten van landbouwgrond “als testgronden voor vernieuwende en waar mogelijk sociaal gerichte landbouwbedrijfsmodellen” (p. 11). Het is een publiek geheim dat die eerste doelstelling de tweede overschaduwt, en in de praktijk zelfs dreigt te hypothekeren. Net zoals het huidige voorontwerp concreet aangeeft hoe het grondbeleid actief zal bijdragen aan de realisatie van het RUP Groen, is het ook absoluut noodzakelijk om de tweede landbouwdoelstelling, grond inzetten voor duurzame en sociaal rechtvaardige landbouw, verder te concretiseren. Bijvoorbeeld: in het voorontwerp wordt aangestipt dat er op grondgebied Gent momenteel ongeveer 19 ha landbouwgrond pachtvrij is “die op korte termijn zou kunnen ingezet worden voor Gentse doelstellingen” (p. 11). Dat is een vaststelling, geen beleidsvisie. Er is nood aan kwantitatieve doelstellingen (zeker ook voor de 97 ha pachtvrije landbouwgrond buiten Gent), en deze beleidsnota is een goede plaats om zulke doelstellingen in op te nemen. De Hongerige Stad pleit voor ofwel een betere integratie van beide landbouwdoelstellingen, ofwel een grote inhaalbeweging om ook de tweede grote beleidsdoelstelling geloofwaardig en concreet te maken.
Met dit voorontwerp wordt de verdere uitverkoop van publieke landbouwgrond tot in de details voorbereid, en wordt de opmaak van een stedelijk landbouwbeleid opnieuw op de lange baan geschoven. Daarmee stuurt dit voorontwerp de Gentse administraties in een straatje zonder einde, waarbij klimaatbeleid zogezegd wel landbouwbeleid wil voeren maar dat niet kan zonder grondbeleid, en waarbij er vanuit grondbeleid wordt aangegeven dat landbouw een bevoegdheid is van de klimaatdienst. Het is met andere woorden cruciaal dat deze beleidsnota bijdraagt aan het verder concretiseren van de landbouwbeleidsdoelstellingen.

Aanbeveling 10 Neem vanuit het grondbeleid een proactieve rol op om conflicten tussen verschillende administraties te voorkomen, en streef naar integratie.
Aanbeveling 11 Geef veel meer duiding over hoe de voorgestelde verkopen passen in de landbouwvisie van de stad. Wat is de landbouwvisie van de stad Gent?
Aanbeveling 12 Gebruik deze visienota voor de broodnodige concretisering van de vaag geformuleerde en reeds lang aangekondigde beleidsdoelstelling om landbouwgrond in te zetten “als testgrond voor vernieuwende en waar mogelijk sociaal gerichte landbouwbedrijfsmodellen”. Formuleer daarbij ook kwantitatieve doelstellingen.


2.2 Het OCMW van Gent heeft nog negen hoeves (met landbouwgrond) in het bezit. Hoewel in de praktijk niet elke hoeve verkocht zal/kan worden, is de beleidsrichting duidelijk:
“Gelet op de zeer slechte bouwfysische staat van sommige hoevegebouwen (woning en stallingen) van het OCMW van Gent, de noodzakelijke zware investeringen die het OCMW zou moeten uitvoeren en de zeer lage pachtvergoeding is het aangewezen om de hoeves op korte termijn te verkopen.” (p. 14)
Deze passage roept vele vragen op. Over welke negen hoeves gaat het? Er is sprake van twee hoeves met “ontwikkelingsmogelijkheden die verder onderzocht zullen worden” (p. 14). Over welke twee hoeves gaat dit? Op basis waarvan werd bepaald dat twee hoeves wel ontwikkelingsmogelijkheden hebben en zeven andere niet? Vanuit welke optiek en vanuit welke vorm van kennis is die keuze gemaakt? Is daarbij ook met een landbouwkundige bril gekeken naar de verschillende hoeves?
De hoeves worden ook uitgesloten van het tweejarig moratorium op de verkoop van landbouwgrond (2021 t.e.m. 2022). Wat onderbouwt die keuze? In tegenstelling tot de landbouwgronden lijkt de beleidsnota het lot van elke individuele hoeve nu al te beslechten. Dit lijkt ons veel te vroeg. Een uitgebreide, grondige, evenwichtige en gedragen argumentatie is cruciaal vooraleer er tot een beslissing wordt overgegaan. Bovendien lijkt de stad Gent het belang van landbouwinfrastructuur voor een landbouwbedrijf niet goed te begrijpen. Aan de ene kant wil de stad testsites lanceren voor nieuwe landbouwmodellen, maar aan de andere kant wil het alle resterende hoeves verkopen. Dit terwijl een gebrek aan kwalitatieve infrastructuur een zeer groot knelpunt is voor startende boeren.
Het argument dat sommige hoevegebouwen in een slechte bouwfysische staat verkeren, en dus verkocht moeten worden, is dan ook voorbarig. De eerste vraag is of het nuttig is om deze hoeves te renoveren. In deze nota wordt beweerd dat het antwoord op die vraag negatief is, maar daar wordt geen enkel argument voor aangedragen, en het is ook niet duidelijk wie die beslissing heeft genomen.
De nota geeft aan dat vooraleer de uiteindelijk verkoopprocedure van een hoeve wordt opgestart, er altijd navraag zal worden gedaan bij andere stadsdiensten of de hoeve ingezet kan worden voor “hun” beleidsdoelstellingen (p. 14). De diensten hebben twee maand de tijd om een advies te verstrekken en moeten middelen op tafel kunnen leggen die in de begroting zijn voorzien. In tweede instantie wordt de vraag gesteld aan het betrokken lokaal bestuur en aan het provinciebestuur waar de hoeve gelegen is. Ook daar krijgt men twee maand de tijd om een signaal van interesse te geven. Deze passages roepen opnieuw verschillende vragen op. Eerst en vooral is het onduidelijk waarom dit overleg met andere stadsdiensten, lokale besturen en provinciebesturen moet uitgesteld worden tot het moment waarop men de verkoop wil opstarten. Is het niet wenselijk en efficiënter om proactief een grondig debat aan te gaan? Daarnaast is het onduidelijk waarom deze vraag niet gesteld zou kunnen (moeten) worden aan
verschillende andere publieke instellingen. Ten derde is een periode van twee maanden bijzonder kort, zoals ook is aangetoond naar aanleiding van de lopende verkoop van het Blauwhuis. Ten vierde is het onduidelijk wat “een signaal geven” betekent. In het geval van het Blauwhuis eiste de stad bijvoorbeeld een financiële belofte om de verkoop van het Blauwhuis op te schorten, wat op zo’n korte termijn onmogelijk gegeven kon worden door publieke instellingen. Dit soort situaties moet in de toekomst vermeden worden.

Aanbeveling 13 Bescherm de negen hoeves (met bijhorende landbouwgrond) ook met het tijdelijk moratorium (2021 t.e.m. 2022) om een ernstig debat over hun potentieel mogelijk te maken (zie punt 5).
Aanbeveling 14 Deel informatie over de ligging, bouwstaat en eventuele renovatiekost van deze hoeves met alle stadsdiensten, lokale besturen en provinciebesturen waar de hoeves gelegen zijn, en maak de info ook publiek beschikbaar op de website van de stad Gent.
Aanbeveling 15 Verduidelijk op basis van welke argumenten en vormen van kennis beslist zou kunnen worden dat het aangewezen is om de hoeves te verkopen. Spreek externe expertise aan waar nodig (landbouwkundig, erfgoedkundig…).
Aanbeveling 16 Onderzoek het potentieel om de beschikbare hoeves (op termijn) in te schakelen voor de landbouwbeleidsdoelstellingen van de stad, meer specifiek voor de doelstelling om vernieuwende en waar mogelijk sociaal gerichte landbouwbedrijfsmodellen te faciliteren. Waarom kan deze infrastructuur (mits renovatie) geen rol spelen in het faciliteren van nieuwe bedrijfsmodellen? In het geval de hoeves niet voor dit doel zullen dienen: hoe zullen de nieuwe landbouwbedrijfsmodellen die de stad op publieke landbouwgrond wil huisvesten aan de noodzakelijke landbouwinfrastructuur geraken (bewaring van voedsel, stockage van materiaal, stallen voor vee…)?


2.3 De nota bevat een aantal misverstanden over toegang tot grond, landbouwbestemming, en landbouwgebruik.
We wezen eerder al (punt 1.1) op de zeer onjuiste veronderstelling dat verkoop op de vrije markt met winstmaximalisatie aan iedereen gelijke kansen geeft om te kopen. Daarnaast voorziet de nota dat grote partijen landbouwgrond opgesplitst kunnen worden in kleinere oppervlaktes “zodat ook familiale kleinere landbouwbedrijven en nieuwe vormen van landbouw financieel in staat zijn om landbouwgrond te kunnen kopen” (p. 16). Dit klinkt misschien goed, en lijkt duidelijk een les uit de zaak Huts, maar brengt gezien het principe van winstmaximalisatie nauwelijks zoden aan de dijk. Landbouwers ondervinden op de grondmarkt immers zware concurrentie van onder andere kapitaalkrachtige plattelandsbewoners, speculanten, industriële activiteiten op zoek naar compensatiegrond voor uitbreiding in natuurgebied, pensioenfondsen en andere investeringsmaatschappijen, enzovoort. Het is in die realiteit een totale illusie om te geloven dat opgesplitste landbouwpartijen bij familiale kleinere landbouwbedrijven en nieuwe vormen van landbouw terecht zullen komen. Daarvoor moet het principe van winstmaximalisatie ook absoluut herbekeken worden (zie punt 1.3). De boodschap “landbouwgronden met een agrarische bestemming behouden ook deze bestemming bij verkoop” (p. 15) is totaal onvoldoende om het landbouwkundig gebruik van deze gronden veilig te stellen. Door de grote concurrentie van niet-agrarische kopers gaat bij de verkoop van landbouwgrond geen landbouwbestemming verloren, maar wel zeer vaak het landbouwgebruik. Landbouwgronden worden daarbij niet langer gebruikt voor voedselproductie, maar voor het houden van hobbydieren (o.a. verpaarding), voor het uitbreiden van tuinen, als speculatieve belegging, enzovoort. Dit is een zeer pertinent gegeven in een land waarin het zonevreemd gebruik van landbouwgrond hallucinante proporties begint aan te nemen, zeker in stedelijke omgevingen.2 De verkoop van Gentse landbouwgronden kan niet los gezien worden van die realiteit, en dreigt er zelfs aan bij te dragen. De veronderstelling dat kleine partijen grond, met winstmaximalisatie als enige drijfveer, bij familiale kleinere landbouwbedrijven en nieuwe vormen van landbouw terecht zullen komen is dus ook om deze reden ofwel een totale misvatting, ofwel wishful thinking.

Aanbeveling 17 Ontwikkel, in het geval verkoop wenselijk zou zijn, andere strategieën om familiale kleinere landbouwbedrijven en nieuwe vormen van landbouw de kans te geven om landbouwgrond te kopen. De strategie die momenteel voorzien wordt, heeft geen enkele kans op slagen.
Aanbeveling 18 Hou in de uitwerking van deze nota en het vormgeven van beleid meer rekening met de boerenrealiteit op de grondmarkt.


2.4 De nota zegt zeer weinig over de visie op pacht. Buiten Gent geldt het volgende algemeen principe: “pachtvrije landbouwgronden worden niet opnieuw (openbaar) verpacht” (p. 16). Er wordt geen enkel argument aangedragen om dat principe te motiveren. Speelt hier enkel het financiële argument dat pachtvrije gronden aan een hoger prijs verkocht kunnen worden? Of is de keuze om niet te verpachten gekoppeld aan ambities om specifiek beleid te voeren – bijvoorbeeld het faciliteren van nieuwe landbouwmodellen? De Stad Gent, het OCMW en andere stedelijke administraties hebben naar aanleiding van de open oproep Afsneekouter in 2017 heel wat ervaring opgedaan met de manier waarop grond beschikbaar kan worden gesteld aan boeren met een specifiek landbouwproject. Waarom bevat deze beleidsnota, die zelf zegt een basis te vormen voor vervolgprojecten, geen lessen en ambities die voortkomen uit dit leerproces?

Aanbeveling 19 Verduidelijk het juridisch kader dat de stad (mogelijks) zal hanteren bij het beschikbaar stellen van publieke grond aan boeren. Wat zijn de lessen uit de oproep van 2017? Motiveer waarom bepaalde keuzes worden gemaakt. Hou naast het realiseren van specifieke stedelijke beleidsdoelstellingen ook rekening met de nood aan zekerheid en een geloofwaardig tijdsperspectief voor boeren.

2.5 In het klimaatplan van de stad Gent komt het belang van landbouwbeleid aan bod. Wij denken dat actief grondbeleid hier een belangrijke rol in zou moeten spelen. Daarom moet een beleidsnota grondbeleid zoals deze absoluut ook de link landbouwbeleid-klimaatbeleid-grondbeleid verder uitklaren. Welke klimaatuitdagingen komen in de komende decennia op de Gentse samenleving af? Is de uitverkoop van schaarse publieke landbouwgronden mogelijks geen grote vergissing in het licht van de reusachtige (ook financiële!) impact van de klimaatcrisis waaraan Gentenaars zich in komende decennia mogen verwachten? Is het behoud van publieke landbouwgrond voor klimaat- en mitigatiebeleid mogelijks niet één van de meest betaalbare manieren om klimaatadaptatie- en klimaatmitigatiebeleid te voeren?

Aanbeveling 20 Verduidelijk de link tussen landbouwbeleid, klimaatbeleid en actief grondbeleid.

Enge sociale missie

3.1 De nota verwijst regelmatig naar het belang van de uitverkoop van passief OCMW-patrimonium voor investeringen in sociaal beleid:
“Deze opbrengsten dragen mee bij aan de realisatie van de sociale doelstellingen van de stad en OCMW Gent. De OCMW’s hebben immers de wettelijke opdracht om de maatschappelijke dienstverlening aan te bieden die iedere persoon in de mogelijkheid moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Dit impliceert concreet dat het beheer van het patrimonium ten goede moet komen aan inwoners van Gent, die zelf niet de mogelijkheid hebben om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.” (p. 11-12)
Over welke sociale doelstellingen gaat dit juist? Het is duidelijk dat deze missie in sterke mate gekoppeld is aan investeringen in de bouw van sociale woningen. Maar er is ook sprake van diverse andere sociale doelen, waarvoor 10 miljoen euro inkomsten worden gereserveerd (p. 12). Ziet de stad Gent de productie en het toegankelijk maken van ecologisch en sociaal rechtvaardig geproduceerd voedsel voor alle Gentenaars ook als een doelstelling van het sociaal beleid? Zo ja, wordt er geanalyseerd op welke manier publieke landbouwgronden daar aan kunnen bijdragen? Zo nee, waarom is dit geen doelstelling in een tijd waarin een groeiend deel van de stedelijke bevolking is aangewezen op voedselhulp? Wat kunnen publieke gronden betekenen voor de structurele bestrijding van armoede via het produceren en ontsluiten van voeding? Wat kunnen publieke gronden betekenen voor de sociale economie, economische en maatschappelijke activering en het faciliteren van sociaal ondernemerschap? Wat zijn de potenties inzake het voeren van een actief sociaal beleid dat OCMW doelstellingen rechtstreeks via een innovatief gebruik van de gronden realiseert? Hoe verhoudt dit potentieel zich tot de verdere uitverkoop van diezelfde gronden? Zijn er bijvoorbeeld plannen om naast de verdeling van voedseloverschotten ook op structurele basis vers, lokaal, ecologisch en fair geproduceerd voedsel te ontsluiten voor kansarme bevolkingsgroepen?

Aanbeveling 21 Bekijk de mogelijkheid om publieke landbouwgronden in te zetten voor het ontsluiten van vers, lokaal, ecologisch en fair voedsel voor kansarme bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld via de sociale restaurants. Betrek zowel boeren als sociaal werk en welzijnswerk.

3.2 Deze nota wakkert het conflict tussen wonen en landbouw verder aan in plaats van het aan te pakken. Wij betreuren dit ten zeerste.
Ten eerste kregen we vanuit het stadsbestuur helaas al vaker het argument te horen dat de verkoop van (landbouw)grond noodzakelijk is om investeringen in sociaal woonbeleid te financieren, en dat verzet tegen de verkoop van landbouwgronden gelijk staat aan verzet tegen de bouw van sociale woningen. Dit standpunt is niet alleen op korte termijn onhoudbaar (zie alternatieve financieringsvormen onder punt 4), het is ook heel erg cynisch. Graag wijzen we er nog eens op dat onze open brief uit 2019, hoewel die een duidelijke focus had op voedsel en landbouw, werd ondertekend door tal van organisaties en burgers met een focus op de sociale aspecten van onze eisen. Zij pleiten samen met ons om het potentieel conflict tussen landbouw en wonen niet aan te wakkeren, maar gezamenlijk aan te pakken.
Ten tweede laat deze beleidsnota uitschijnen dat wanneer de verkoop van woongebied en industriegebied dankzij het principe van winstmaximalisatie meer opbrengt dan verwacht, er dan minder landbouwgrond verkocht moet worden. Wij gaan niet akkoord met dit soort logica. De Hongerige Stad pleit al meer dan een jaar voor een ernstig debat over de potentiële sociale, economische en ecologische gebruikswaarde van publieke landbouwgrond en, in afwachting daarvan, een volledig moratorium op de verkoop. Vastelleggen dat er opnieuw voor 30 miljoen euro verkocht moet worden, met daarbij de boodschap dat daar ‘zo weinig mogelijk’ landouwgronden zullen bijzitten, onder andere dankzij winstmaximalisatie bij de verkoop van woongebied, beantwoordt niet aan die vraag.

Aanbeveling 22 Neem initiatief om het potentieel conflict tussen wonen en landbouw aan te pakken in plaats van aan te wakkeren. Vanuit beide hoeken wordt gepleit voor een andere omgang met publiek patrimonium.

Korte termijn primeert

4.1 De beleidsnota tekent de krijtlijnen uit voor het beheer en de verkoop van Gents OCMW-patrimonium in de periode 2020-2025. De effecten van het beleid in de periode 2020-2025 zullen echter nog veel langer voelbaar zijn. Met de verkoop verdwijnt niet alleen het publiek eigenaarschap, maar ook het grootste deel van de controle en het zeggenschap over het gebruik. Wat deze legislatuur verkocht wordt, kan volgende legislatuur geen voorwerp van beleid en gesprek meer zijn. De manier waarop één generatie beleidsmakers omgaat met de eeuwenoude erfenis van publieke landbouwgronden, bepaalt de mogelijkheden waar alle volgende generaties al dan niet over zullen beschikken.
Daarom is het erg opmerkelijk dat de ontwerp visienota gaan enkel element of argument bevat dat verder reikt dan 2025. In de lange geschiedenis van dit publiek grondbezit is dat – bij manier van spreken – overmorgen. Wij vinden het absoluut noodzakelijk dat deze nota wel argumenten aandraagt met een houdbaarheidsdatum langer dan 2025.

Aanbeveling 23 Verduidelijk in deze beleidsnota voor de periode 2020-2025 ook de gevolgen en de impact van het voorgestelde beleid voor de legislaturen nadien.

4.2 Met deze nota zet de stad Gent de race to the bottom van haar grondbezit verder voort. De gevolgen op de balans van het OCMW-grondbezit zijn vrij hallucinant. Zoals de nota zelf aangeeft was het OCMW Gent in 2014 nog 2.400 ha grond rijk, en daar bleef begin 2020 nog 1.800 ha van over. Daarvan willen de stad en het OCMW tussen 2020 en 2025 nog eens 140 ha verkopen. In grafiekvorm zien deze cijfers er als volgt uit:
Een verderzetting van de huidige uitverkoop brengt de totale hoeveelheid publieke grond tegen het midden van deze eeuw op nul. Het midden van deze eeuw, dat is 2050, ofwel nog een kleine 30 jaar, dus minder dan 5 legislaturen na de huidige. Bij ongewijzigd beleid kunnen we het aantal legislaturen dat er nog publieke grond overblijft dus op één hand tellen.
Dit vooruitzicht roept zeer veel vragen op. Gezien het centrale argument in de beleidsnota dat verkoop nodig is voor de financiering van sociaal woonbeleid, is de meest voor de hand liggende vraag: hoe zal het sociaal woonbeleid van Gent na 2050 gefinancierd worden? Eén besluit staat als een paal boven water: bij ongewijzigd beleid valt er binnen zeer afzienbare tijd geen publieke grond meer te verkopen en dringt een debat over een andere financiering van sociaal woonbeleid zich hoe dan ook op. Bovendien is het sociaal patrimonium dat de stad vandaag bouwt tegen 2050 alweer verouderd en dringen ook daar nieuwe investeringen zich op. Hoe zal het beheer en de bouw van sociale woningen vanaf dat moment gefinancierd worden? Moet dit debat echt wachten tot waar de teller bijna op nul staat? Moet het publiek grondbezit sneuvelen om een debat te kunnen uitstellen dat hoe dan ook gevoerd zal moeten worden?

4.3 De Hongerige Stad heeft vragen bij de houdbaarheid van het financieringsmodel dat in deze nota wordt verdedigd. De stad zegt te handelen in lijn met het besluit van de Vlaamse regering van 25 juni 2010 betreffende de beleids- en beheerscyclus (BBC) – onder andere aangespoord door de Europese verordeningen inzake de nationale rekeningen van de lidstaten. De BBC verplicht instellingen zoals het OCMW Gent strikte boekhoudkundige voorschriften te respecteren waarbij investeringen moeten passen in zesjarenplannen die resulteren in positieve autofinancieringsmarge. De autofinancieringsmarge geeft weer of de financiën van het bestuur op een structurele manier in evenwicht zijn en duidt aan of het bestuur in staat is zijn leningslasten (aflossingen van kapitaal en intresten) te dragen met het overschot uit de gewone werking. Een pijnlijk effect van de BBC-regels is dat het lokale besturen stimuleert om minder te lenen, en investeringen te betalen uit de verkoop van patrimonium. Uit een studie van Belfius blijkt dat met de opbrengsten uit de verkoop van gemeentelijk patrimonium in 2018 26,8% van de gemeentelijke investeringen gefinancierd werd, tegen 48,2% door leningen. In het Vlaams
Parlement werd daarom al gesignaleerd dat het grote aandeel uit de verkoop van gemeentelijk patrimonium vragen doet rijzen over de houdbaarheid van het financieringsmodel van gemeentelijke investeringen.3 Ook bij Belfius wordt gesignaleerd dat er een gevaar is van onderinvestering en verwaarlozing van activa (verdoken schuld), wat suggereert dat er op zijn minst een controlemechanisme en visie voor moet zijn.4 Belfius geeft ook aan dat de verkoop van patrimonium in de huidige legislatuur mogelijk de capaciteit van zelffinanciering van volgende gemeentelijke bestuursperiodes kan verminderen. In tijden van budgettaire krapte is dit een pertinent gegeven. Legt de uitverkoop van publiek patrimonium ook in Gent geen hypotheek op de toekomstige bestuurperiodes (zie ook 4.2)? Gaat de huidige uitverkoop van publiek patrimonium in die zin niet in tegen de geest van de BBC? De publieke gronden hebben immers een belangrijke gebruiks- en beleidwaarde.
Een tweede bedenking bij de beleidsnota is de zogenaamde waardevastheid van het OCMW-patrimonium. De nota stelt terecht dat “de waardevastheid van patrimonium moet behouden blijven om de sociale missie ook op lange termijn te kunnen inzetten” (p. 3). In de nota wordt gesteld dat de waardevastheid van het OCMW-patrimonium gegarandeerd is omdat de inkomsten uit de verkoop van gronden buiten Gent (o.a. landbouwgrond) gebruikt worden om te investeren in patrimonium (sociale woningbouw) binnen Gent. De stad beweert dat daarmee de financiering van de sociale missie van OCMW en stad ook op langere termijn gegarandeerd blijven. Deze redenering roept vragen op. Kapitaal in de vorm van sociale woningen dreigt immers structureel waarde te verliezen doorheen de tijd. Zeker gebruikswaarde. Woningbouwprojecten waar de stad vandaag in investeert, zijn binnen enkele decennia opnieuw aan structurele renovatie toe, en vormen op dat moment dus een kostenpost. Bij landbouwgronden daarentegen is er geen enkele reden om te veronderstellen dat ze structureel waarde zullen verliezen. Gezien de constant stijgende marktprijzen van landbouwgrond in de afgelopen jaren is eerder het omgekeerde waarschijnlijk. Bovendien zijn duurzame landbouwpraktijken in staat om te investeren in een verhoging van de gebruikswaarde van landbouwgronden, bijvoorbeeld door de natuurlijke bodemvruchtbaarheid of de biodiversiteitswaarde te vergroten, waardoor naast een stijgende marktwaarde ook een stijgende gebruikswaarde perfect denkbaar is, en bovendien ook tot de beleidsdomeinen van de stad behoort. Wij stellen ons bijgevolg vragen bij de juistheid van de claim dat de waardevastheid van OCMW-patrimonium behouden blijft wanneer kapitaal in de vorm van landbouwgrond wordt omgezet in kapitaal in de vorm van sociale woningen. Het is bijgevolg onduidelijk of de waardvastheid (marktwaarde+gebruikswaarde) van het OCMW-patrimonium effectief gegarandeerd is, en of de betaalbaarheid van de sociale missie van stad en OCMW op iets langere termijn niet in het gedrang komt met dit beleid. Heeft de stad dit grondig bestudeerd en zijn andere financieringsmiddelen mogelijks niet interessanter of zelfs noodzakelijk – zeker op langere termijn?
De coronacrisis zet de financiering van (de investeringen van) lokale besturen onder druk. Door de coronamaatregelen duikt de autofinancieringsmarge in het rood, ook in een stad als Gent die 25 miljoen euro bijkomende middelen vrijmaakte voor de aanpak van de coronacrisis. Dit is een precedent waarbij een grote maatschappelijke uitdaging, in dit geval de coronacrisis, duidelijk maakt dat de huidige manier waarop lokale besturen hun boekhouding op orde houden, onhoudbaar is en aangepast moet worden in tijden van crisis. Wij willen vanuit De Hongerige Stad wijzen op drie andere crisissen die onze samenleving vandaag al treffen en dat in de nabije toekomst nog veel sterker zullen doen: de klimaatcrisis, de biodiversiteitscrisis en de groeiende ongelijkheid en armoede. De omvang van deze crisissen neemt toe, en zal op net als de coronacrisis fundamenteel druk zetten op de begroting van lokale besturen. De huidige inkomsten uit de verkoop van patrimonium zullen daarbij in het niets vallen. Wij zien hierin een absolute noodzaak om een ander debat te voeren over gemeentefinanciën, en anders om te gaan met het publiek patrimonium dat ons nog rest.

Aanbeveling 24 Verduidelijk de impact van de BBC op de financiering van investeringen in Gent. Formuleer daarbij een antwoord op de bedenkingen die o.a. door Belfius geformuleerd worden bij de structurele financiering van gemeentelijke investeringsprojecten met de opbrengst uit de éénmalige verkoop van gemeentelijk patrimonium. Hoe zal de stad Gent investeringen financieren nadat alle publiek patrimonium is verkocht? Legt de uitverkoop van publiek patrimonium geen hypotheek op de toekomstige bestuursperiodes?
Aanbeveling 25 Motiveer de claim dat de waardevastheid van het OCMW-patrimonium op lange termijn gevrijwaard blijft. Betekent de vervanging van kapitaal (marktwaarde+gebruikswaarde) in de vorm van landbouwgronden door kapitaal (marktwaarde+gebruikswaarde) in de vorm van sociale woningen niet automatisch een verlies van waarde op langere termijn? Vormt dit geen bedreiging voor de betaling van sociaal beleid van stad en OCMW?
Aanbeveling 26 Denk na over alternatieve instrumenten om gemeentelijke investeringsdossiers te financieren waarbij burgers betrokken worden en kapitaal verschaffen, bijvoorbeeld aan de hand van obligaties of een complementaire munt.
De nota vermeldt de recurrente (terugkerende) inkomsten uit de exploitatie van publieke gronden zoals huuropbrengsten, pachtgelden, enzovoort. Voor de afgelopen 10 jaar gaat het om een totaal bedrag van ruim 8 miljoen euro, of dus gemiddeld ruim 730.000 euro per jaar (p. 6).
Het is, zeker in het licht van voorgaand punt, opmerkelijk dat het beleidspotentieel van deze recurrente inkomsten nauwelijks aan bod komt. Waarom bevat deze nota geen visie op exploitatieinkomsten?
Aanbeveling 27 Verduidelijk de visie op de exploitatie-inkomsten uit publiek grondbezit. Waarom krijgen verkoopopbrengsten zo veel meer aandacht dan exploitatie-inkomsten en hoe past dit in de financiering van (woon)beleid op langere termijn?

Geen participatie die naam waardig

5.1 Er komt tot 31/12/2022 een tijdelijk moratorium op de verkoop van landbouwgronden. Dit is een stap in de goede richting. In de beleidsnota, en ook in de toelichting die bijvoorbeeld aan de voedselraad werd gegeven, wordt beklemtoond dat dit moratorium een kans is voor burgers, boeren en het middenveld om te participeren in het beleid. Dat zou in theorie kunnen kloppen, maar het vereist wel een duidelijk plan van aanpak over hoe die beleidsparticipatie zal verlopen. Er zijn vooralsnog geen concrete voornemens of plannen om die participatie te organiseren. De verdere uitverkoop daarentegen is wel tot in de details voorbereid. Zo dreigt het moratorium een lege doos te worden.
Beleidsparticipatie gebeurt niet vanzelf. Het bestuursakkoord van het huidige stadsbestuur bevat grote woorden over beleidsparticipatie, waarbij het belang van het middenveld expliciet wordt onderstreept en er verwezen wordt naar de nood van een tegenstem en het bij de les houden van beleidsmakers. “We kiezen principieel voor opbouw van onderuit, zowel bij het opmaken als bij het uitvoeren van het beleid”, staat er op pagina 8 van het bestuursakkoord. Het is bijzonder jammer dat deze beleidsnota absoluut niet in lijn is met de ambities van het bestuursakkoord. De huidige feedbackronde – aanleiding voor deze nota van de Hongerige Stad – blijft een heel oppervlakkige manier van beleidsparticipatie, waarbij men zich beperkt tot het éénmalig opvragen van feedback, helemaal op het einde van het proces, zonder duidelijke afspraken of garanties over hoe die feedback verwerkt zal worden.
De Hongerige stad pleit voor een ambitieus, breed en toegankelijk participatietraject tijdens het tijdelijk moratorium op de verkoop van publieke landbouwgrond. Zoals eerder aangehaald vinden wij het cruciaal dat dit moratorium wordt uitgebreid naar de hoeves, zodat ook die voorwerp van het participatietraject kunnen worden. Het is cruciaal dat de stad zich uitdrukkelijk uitspreekt als voorstander van zo’n participatietraject, zich engageert bij het faciliteren van zo’n proces, en op voorhand een heel duidelijk mandaat benoemt (doelstelling van participatie, omgang met de uitkomsten van participatie). Wij vragen met aandrang om dit meteen op te nemen in de beleidsnota zodat dit als geheel op de gemeenteraad kan verschijnen. Indien dat geen optie is, dan lijkt het ons cruciaal dat het participatietraject in een aparte nota wordt uitgewerkt die gelijktijdig naar de gemeenteraad kan gaan. Beide moeten aan elkaar gekoppeld worden. Volgende passage uit het bestuursakkoord kan ongetwijfeld dienen als inspiratie voor het uitwerken van dit participatietraject:
“Gentenaars krijgen meer zeggenschap over grote thema’s die hen bezighouden. Rond brede maatschappelijke thema’s organiseren we stadsdebatten. Voor plannen met een grote impact kunnen we ook een burgerkabinet installeren, representatief samengesteld, waarbij we rekening houden met parameters relevant voor het betreffende thema.” (Bestuursakkoord p 8)
Een fundamenteel aandachtspunt bij de organisatie van zo’n burgerkabinet is het betrekken van boeren, in het bijzonder boeren uit de familiale landbouw, jonge boeren en nieuwe boeren in opleiding. Er is bij deze boeren bereidheid om ideeën te bedenken voor het strategisch gebruik van publieke landbouwgrond. In tegenstelling tot vele andere actoren genieten de meeste boeren en boeren in opleiding niet van de voordelen van een bediendestatuut, en worden ze dus niet vergoed voor de tijd die ze investeren in consultaties en participatietraject vanuit de stad. Dit is een pijnpunt van het Gentse voedselbeleid dat al langer gekend is, en dat bij de organisatie van een burgerkabinet of participatietraject over het gebruik van publieke landbouwgronden aangepakt moet worden.
Er bestaan binnen en buiten onze beweging goede ideeën voor een alternatief gebruik van publieke landbouwgronden. Maar nog belangrijker: er kunnen nog veel betere ideeën ontstaan van zodra er ook geïnvesteerd zou worden in het vermogen van mensen om goede ideeën te bedenken. Het is daarom van fundamenteel belang dat de stad niet alleen openstaat voor ideeën, maar ook investeert in de verbeelding van nieuwe ideeën.5 Betrek ook de andere stadsdiensten in deze participatie- en verbeeldinsgtrajecten.

Aanbeveling 28 Druk de ambitie uit dat er gedurende het tijdelijk moratorium op de verkoop van publieke landbouwgronden ruimte wordt gemaakt voor grondige beleidsparticipatie. Neem concrete plannen en engagementen voor beleidsparticipatie op in deze beleidsnota, of in een apart beleidsdocument dat samen met deze beleidsnota naar de gemeenteraad wordt gebracht. Het is cruciaal dat beide aan elkaar gekoppeld worden.
Aanbeveling 29 Til het participatietraject rond het thema publieke grond naar het niveau zoals beschreven in het bestuursakkoord.
Aanbeveling 30 Ga in gesprek met het middenveld over hoe de organisatie van een burgerkabinet of participatietraject er zou kunnen uitzien en wat daarin de rol van de stad zou moeten zijn.
Aanbeveling 31 Zorgt bij de organisatie van een burgerkabinet of participatietraject voor een duidelijk, op voorhand gedefinieerd mandaat.
Aanbeveling 32 Bouw bij de uitwerking van een participatiemethodiek garanties in om boeren te betrekken, in het bijzonder boeren uit de familiale landbouw, jonge boeren en nieuwe boeren in opleiding.
Aanbeveling 33 Investeer in vermogen van mensen om goede ideeën te bedenken en alternatief gebruik van publieke landbouwgronden. Investeer in verbeelding.

5.2 De beleidsnota bevat heel weinig informatie over het huidige OCMW-patrimonium. Er wordt enkel een totale oppervlakte (1.800 ha) en een onleesbaar kaartje gedeeld. Wij roepen de stad op om informatie over het resterende OCWM-grondbezit publiek te maken. Zoals we in onze open brief van 2019 reeds benadrukten, is er nood aan een gedetailleerde kaart. Opnieuw: participatie gebeurt niet vanzelf. Indien de stad uitstekende antwoorden wil horen op de vraag wat de potentiële gebruikswaarde van publieke landbouwgronden juist is, dan is het cruciaal om Gentse burgers, boeren en middenveldorganisaties toegang te geven tot basisinformatie.

Aanbeveling 34 Maak gedetailleerde informatie over het resterende OCMW-patrimonium zo snel mogelijk publiek beschikbaar. Geef ook informatie over publiek grondbezit dat niet bij het OCMW zit.

5.3 De visienota herhaalt de boodschap dat Gent het “niet als haar kerntaak ziet om patrimonium buiten de regio Gent te onderhouden en te beheren”. Dit was eerder ook al een antwoord in het schrijven van de burgemeester als antwoord op onze open brief. De Hongerige Stad heeft ernstige bedenkingen bij dit standpunt. Eerst en vooral is het onduidelijk waarop dit standpunt gebaseerd is. Op welke manier werd er onderzocht hoe de ligging van publieke landbouwgronden ten opzichte van Gent zich verhoudt tot hun functionaliteit voor Gentse beleidsdoelstellingen? Op basis van welke elementen werd er een afweging gemaakt? Het blijft bovendien onduidelijk wat er wordt verstaan onder “de regio Gent”. Behoort een gemeente als Nazareth, op een boogscheut van Gent en met een grote hoeveelheid Gents OCMW-grondbezit, tot de “regio Gent”? Hoe verhoudt de “regio Gent” zich tot Gentse beleidsdoelstellingen? Zijn er geen doelstellingen die erg gebaat zouden kunnen zijn met beleid op publieke landbouwgronden buiten de eigen regio (zoals bijvoorbeeld klimaatbeleid)? Dit vraagt grondig onderzoek en overleg over de mogelijkheden die publieke landbouwgronden bieden voor het Gentse beleid in al haar facetten. Daarnaast lijkt dit een erg voorbarig standpunt. De nota geeft aan dat andere stadsdiensten de kans krijgen om tussen te komen bij de verkoop van een hoeve of landbouwgrond in een buurgemeente (zie punt 5.1). Waarom niet bij de verkoop van een landbouwgrond buiten de gordel van buurgemeentes? Is het niet voorbarig om vanuit grondbeleid te beslissen dat andere stadsdiensten of publieke instellingen geen interesse hebben in dit (iets) verder gelegen grondbezit?
De stad communiceerde eerder dat er vanaf deze legislatuur geen publieke landbouwgronden meer vervreemd zullen worden op grondgebied Gent en in alle buurgemeenten. In deze nota lijkt dat laatste opnieuw te worden afgezwakt. Men lijkt opnieuw de deur open te zetten voor de verkoop van publieke landbouwgronden in de buurgemeenten van zodra het landbouwcompensatiebeleid voor RUP Groen is afgerond. Wij vragen om die deur in zeer duidelijke bewoording opnieuw te sluiten. Welke publieke gronden (landbouw, maar bijvoorbeeld ook wonen) wil de stad Gent absoluut niet verkopen, ook niet op lange termijn? Wat is de visie op lange termijn behoud?
Misschien is het op langere termijn inderdaad geen taak van de stad Gent om patrimonium buiten de eigen regio “te onderhouden en te beheren”. Dat hoeft echter niet te impliceren dat deze gronden verkocht worden zonder visie, aan de hoogste prijs, en zonder noemenswaardige samenwerking met andere publieke instellingen uit die regio’s. Is dit in lijn met wat de stad Gent verwacht van andere publieke instellingen met grondposities op grondgebied of in de regio Gent?

Aanbeveling 35 Verduidelijk welke publieke gronden (landbouw, wonen…) de stad Gent absoluut niet wil en zal verkopen, ook niet op langere termijn. Wat is de visie van het huidige bestuur op het lange termijn behoud van publieke grond?
Aanbeveling 36 Hou een even open blik aan voor de gebruikswaarde van publieke landbouwgronden en hoeves buiten de buurgemeenten als in de buurgemeenten. Het is voorbarig om enkel op de buurgemeenten te focussen.
Aanbeveling 37 Ontwikkel een plan van aanpak om bij de afstoot van gronden buiten de eigen regio maximaal kansen te creëren voor andere lokale besturen, publieke instellingen en andere actoren die vanuit hun werking ook het algemeen maatschappelijk belang nastreven.


5.4 Onderdeel van de Gentse zoektocht naar burgerparticipatie zijn de ‘commons’. In het bestuursakkoord wordt er herhaaldelijk beloofd om ‘commons’ te ondersteunen in de beleidsvoering. Die ‘commons’ definieert men echter louter als “diensten die gecreëerd worden door een gemeenschap maar die geen publieke of private eigendom zijn” (bestuursakkoord p. 9). Dit gebrek aan inschakeling van publiek eigendom in het ‘Gents Commons Transitieplan’ is opmerkelijk. Historisch waren het immers interessante voorbeelden van eigendommen van lokale overheden en publieke instellingen die ten dienste stonden van (bepaalde groepen in) de burgergemeenschap in de vorm van gemeenschappelijk gebruik en beheer. We vragen dan ook om te onderzoeken in welke mate publieke landbouwgronden ingeschakeld kunnen worden in het ‘Gentse Commons Transitieplan’.

Aanbeveling 38 Onderzoek in welke mate publieke landbouwgronden ingeschakeld kunnen worden in het ‘Gentse Commons Transitieplan’.

5.5 Hoewel grondbeleid duidelijk een horizontaal beleidsthema is dat aan vele andere beleidsdomeinen raakt, wordt in deze nota regelmatig over “andere” stadsdiensten met “hun” doelstellingen gesproken. De houding ten aanzien van deze “andere” stadsdiensten met “hun” doelstellingen is zeer passief (zie ook punt 1.3). Het is onduidelijk wie er wel en niet betrokken werd bij de opmaak van dit voorontwerp.
Het voorgestelde grondbeleid is uitgewerkt in functie van het (korte termijn) financieel beleid van de stad, er is één functionele link met het sociaal beleid (financiering sociale woningbouw op korte termijn), en er is slechts één link met klimaatbeleid die grondig werd uitgewerkt (faciliteren van het landbouwcompensatiebeleid van RUP Groen). Dat is een zeer beperkte agenda.
Vooraleer wordt overgegaan tot de verkoop van een hoeve of van landbouwgrond in een buurgemeente van Gent krijgen andere Gentse stadsdiensten twee maanden de tijd om te reageren of de hoeve kan ingezet worden voor hun beleidsdoeleinden. Over dit advies zegt de nota het volgende: “Dit advies past binnen de beleidsdoelstellingen én voorziene middelen op de begroting om het wederkerigheidsprincipe te kunnen respecteren” (p. 14). De eis dat andere stadsdiensten die een advies willen verlenen dat alleen kunnen doen op voorwaarde dat ze zelf de nodige middelen voorzien (in begrotingen die al lang goedgekeurd zijn), maakt van deze uitgestoken hand een louter symbolische daad. Het is heel eenvoudig: deze budgetten zijn helemaal niet voorzien bij andere stadsdiensten. Deze eis is dus een onoverkomelijke drempel. Er spreekt een grote onbereidheid uit om andere beleidsdomeinen te ondersteunen in het omarmen en financieren van (nieuwe) beleidsopportuniteiten die zich aandienen en waartoe publieke landbouwgronden kunnen bijdragen. Bovendien wordt participatie met andere stadsdiensten hier uitgesteld tot vlak voor de beslissing om te verkopen. Er is nood aan een beter evenwicht tussen participatie tijdens de verkoopprocedure enerzijds en grondige participatie voorafgaand aan een eventuele verdere uitverkoop anderzijds.

Aanbeveling 39 Verduidelijk welke andere stadsdiensten betrokken werden en worden bij de opmaak van deze beleidsnota. Wanneer en hoe verliep deze participatie. In welke mate werd sogent zelf betrokken (politieke vertegenwoordigers, ambtenaren, derden, private partners)?
Aanbeveling 40 Zorg voor een evenwicht tussen participatie met andere stadsdiensten tijdens een verkoopsprocedure en ruim voorafgaand aan een eventuele verdere uitverkoop.
Aanbeveling 41 Geef andere beleidsdomeinen de kans om hun interesse in het behoud en gebruik van publieke landbouwgronden en hoeves te signaleren en uit te werken, ook wanneer die beleidsdomeinen zelf niet de (volledige) budgettaire oplossing in handen hebben. Bekijk mee hoe deze doelstelling alsnog gefinancierd kunnen worden, en doorbreek daarbij de schotten tussen verschillende beleidsdomeinen.


5.6 Ook naar andere lokale besturen of publieke instellingen toe wordt een zeer passieve, niet-coöperatieve houding aangenomen. Ook zij krijgen slechts twee maanden de tijd om hun interesse te signaleren. Het is bovendien onduidelijk wat verstaan wordt onder “een signaal geven” (zie eerder punt 2.2). Wanneer deze vraag naar alle andere publieke instellingen en overheden afzonderlijk verstuurd wordt, kunnen we niet verwachten dat zij gezamenlijk antwoorden in twee maanden tijd. Gezamenlijke acties en plannen zijn immers noodzakelijk wanneer het gaat over publieke gronden en hoeves die vaak grenzen aan de grondgebieden en eigendommen van verschillende overheden en instellingen. Wanneer de stad Gent onder “een signaal geven” bovendien zou verstaan dat er ook waterdichte budgettaire garanties op tafel gelegd moeten worden, kunnen geïnteresseerde publieke partijen hun plannen maar beter meteen opbergen. Tenslotte geldt ook hier dat participatie te lang uitgesteld wordt, namelijk tot op het moment dat men reeds beslist om te verkopen. In de praktijk zijn er dan al te veel knopen doorgehakt.

Aanbeveling 42 Zorg voor een evenwicht tussen participatie met andere overheden en publieke instellingen tijdens een verkoopprocedure en ruim voorafgaand aan een eventuele verdere uitverkoop.
Aanbeveling 43 Verduidelijk in de nota wat er verstaan wordt onder “een signaal geven”. Wanneer eist de stad Gent budgettaire garanties, en hoe haalbaar is het om binnen die periode een financieel plan te ontwikkelen, zeker wanneer verschillende publieke instellingen cofinanciering overwegen?
Aanbeveling 44 Neem een meer proactieve en constructieve houding aan in het contact met andere lokale besturen en publieke instellingen door bijvoorbeeld overleg te faciliteren.

1 Herbekijk de open brief en de lijst van ondertekenaars op http://dehongerigestad.be/index.php/de-hongerige-stad/
2 Zie bijvoorbeeld Kerselaers, Rogge & Verhoeve (2017). Virtueel landbouwland. Ruimte magazine. https://www.vrp.be/static/virtueel-landbouwland-2-pdf-61e353f6d65d976a876ec105f5c2f801.pdf
3 “Er werd ook lokaal patrimonium verkocht omdat er te weinig investeringsmiddelen zijn voor onderhoud of renovatie. Daarnaast is het ook mogelijk dat de verkoop van gemeentelijke onroerende goederen geschiedt om meer algemene begrotingsproblemen op te lossen, zonder dat er een rechtstreeks verband is met gemeentelijke investeringen. Uit een studie van Belfius blijkt dat met de opbrengsten uit de verkoop van gemeentelijk patrimonium in 2018 26,8% van de gemeentelijke investeringen gefinancierd werd, tegen 48,2% door leningen. Dit doet vanzelfsprekend vragen rijzen over de houdbaarheid van het financieringsmodel van gemeentelijke investeringen” https://www.vlaamsparlement.be/parlementaire-documenten/schriftelijke-vragen/1306186
4 “Anderzijds kan een gemeente de ontvangsten uit de verkoop van patrimonium (terreinen, gebouwen, duurzame roerende goederen,…) gebruiken om te herinvesteren. In dit laatste geval wordt de opbrengst (in de begrotingsboekhouding) ondergebracht bij de investeringsontvangsten. Op economisch vlak wordt de opbrengst van de verkoop van patrimonium in feite als een vorm van desinvestering beschouwd. Temeer omdat de mogelijkheid om een gedeelte van het patrimonium te verkopen erg verschilt van gemeente tot gemeente (om historische of geografische redenen) zal de capaciteit om een nieuw spaartegoed op te bouwen bestemd voor zelffinanciering vermoedelijk globaal meer beperkt zijn tijdens de volgende gemeentelijke bestuursperiode. De budgettaire beperkingen en de vele uitdagingen waar de gemeenten voor staan, zullen het vermoedelijk veel moeilijker maken om nieuwe budgetoverschotten te genereren waarmee de investeringen zelf gefinancierd kunnen worden.” https://www.belfius.be/publicsocial/NL/Media/Fiche%2015%20-%20De%20investeringen%20van%20de%20lokale%20overheid%20en%20de%20financiering%20ervan_tcm_31-52431.pdf (p. 3)
5 Rob Hopkins, één van de trekkers van de Transition Town Movement in het Verenigd Koninkrijk, schreef daarover zopas een boek met de titel “From What is to What If’: Unleashing the power of imagination to create the future we want”. https://www.robhopkins.net/the-book/

CONTACTGEGEVENS
dehongerigestad@gmail.com 0487168915 (Hans) of 0479227273 (Maarten) www.dehongerigestad.be